Zijn werkkamer in het Julius Centrum geeft een beeld van de carrière en het karakter van de professor: beeldjes, proefschriften, mappen, posters van onderzoeken, krantenartikelen, kastenvol boeken, familiefoto’s en het front van een PDP 11/34 computer.  
Ale vertelt: “Mijn beide ouders waren huisarts, maar ik koos voor een studie natuurkunde. Later studeerde ik ook nog geneeskunde in Rotterdam. Bij mijn promotieonderzoek kon ik mijn computervaardigheden combineren met mijn kennis van de epidemiologie. Aan de hand van kenmerken in 24-uurs ECG ’s onderzocht ik de kans van  patiënten om binnen twee jaar plotseling te overlijden. Na mijn promotie in 1990 ging ik werken in Utrecht bij de afdeling Neurologie.”

Aspirine
Ale begon in Utrecht als trial-coördinator van het Nederlands TIA Onderzoek bij de afdeling Neurologie. “Ik analyseerde data van het onderzoek van Professor Jan van Gijn, over het voorkomen van nieuwe vaatziekten bij patiënten die een TIA of een herseninfarct doorgemaakt hadden. Bij patiënten die eenmaal een herseninfarct of TIA hebben gehad, is de kans op een nieuw herseninfarct verhoogd. We vergeleken de inzet van een hele lage dosis aspirine om dit tegen te gaan met een minder lage dosis aspirine. Aspirine is een plaatjesremmer, het zorgt ervoor dat bloedplaatjes minder klonteren. Uit het onderzoek bleek dat er niet veel verschil was in effectiviteit, maar dat er minder bloedingen optraden. Sinds dat onderzoek is de hele lage dosering de klinische praktijk geworden bij neurologie.

Sinds het eerste onderzoek bij de afdeling Neurologie is aspirine de rode draad in Ale’s carrière. Zo ontdekte hij samen met zijn collega Professor Rothwell uit Oxford dat een lage dosis aspirine direct na een TIA of herseninfarct het meest effectief is. Dit advies is opgenomen in de richtlijn over beroertes. “Wij hebben thuis altijd een doosje aspirine in de keukenkast.”

Time is Brain 
Op de vraag welke resultaten hij het belangrijkst vindt, antwoordt hij: ”Dat mijn onderzoek de klinische praktijk heeft veranderd.  Ik heb bijgedragen aan de verbetering van de secundaire preventie na een TIA of klein herseninfarct.”  
Belangrijk voor de toekomst vindt hij verder onderzoek over cerebrovasculaire ziekten. “Dat is belangrijker dan ooit. We worden steeds ouder en beroertes komen daardoor steeds vaker voor. Een beroerte is één van de grootste verspillers van de kwaliteit van leven, het leidt tot heel veel invaliditeit. Helaas is het altijd een impopulaire ziekte geweest; je krijgt het als je al ouder bent en er was weinig aan te doen. Nu is dat gelukkig anders. Als het stolsel binnen zes uur wordt verwijderd, kom je er veel beter uit. Wij noemen dat ook wel: time is brain.” 
Wat zou hij willen veranderen aan de huidige wetenschap? ”Minder regels, met name rond de uitvoering van onderzoek. Een onderzoeker moet creatief en vrij kunnen zijn. Dat kan alleen als bestuurders vertrouwen geven en niet alles dichttimmeren met regels. We kennen de codes heus wel en weten waar onze verantwoordelijkheid ligt. De vele regels maken het lastig om clinical trials uit te voeren en ze zijn niet kosteneffectief.”

Gideonsbende
Een van Ale’s beste herinneringen aan het UMC Utrecht illustreert hoe belangrijk het is dat onderzoekers hun vrijheid niet laten inperken. In 1990 was er in het nieuwe UMC Utrecht op de Uithof niet voldoende ruimte voor alle medewerkers. Ale werkte vanuit een bouwkeet op een grasveld voor het ziekenhuis. “Ik haalde klinisch epidemioloog Yolanda van der Graaf daar ook naar toe. Het was geweldig. In die keet voelden we ons vrij. Bij de afdeling Epidemiologie was er toen minder behoefte aan een afdeling klinische epidemiologie. Maar wij waren enorm ambitieus en gedreven, en geloofden heilig in de meerwaarde van de klinische epidemiologie. Als een gideonsbende, hebben we samen met collega klinisch epidemioloog Petra Peeters gestreden en uiteindelijk is deze afdeling er gekomen. De rest is geschiedenis.”