Vijf jaar was ik toen ik vier weken in het ziekenhuis lag met onbegrepen uitval van de spierkracht in mijn benen. Een ervaring die zoveel indruk maakte, dat ik me veel van de situaties tijdens die opname nog haarscherp herinner. Enkele weken daarvoor werd mijn zusje geboren. Ook een grote verandering, maar daar herinner ik me nauwelijks iets van. Blijkbaar waren de ervaringen in het ziekenhuis voor mij veel indrukwekkender... Zoals die broeder die mij altijd ‘liet vliegen’; hij deed de hoge bedhekken, zoals kinderbedden in het ziekenhuis hebben, niet gewoon naar beneden om me uit bed te halen. Nee, hij tilde me met een grote zwaai over de hoge hekken heen. Nog kan ik me het gevoel herinneren dat dat ‘vliegen’ gaf; het veilige gevoel als hij me stevig beetpakte om me op te tillen en de kriebel in mijn buik als ik met een zwaai over de hekken heen ‘vloog’.
 
Een ziekenhuisopname is voor vrijwel ieder mens een ingrijpende gebeurtenis. Mensen kunnen haarscherp allerlei details vertellen over de ziekte, over de behandeling en niet het minst over de bejegening die zij van zorgverleners ervaarden. Die kunnen positief en vol lof zijn; de verpleegkundigen en verzorgenden, de artsen, de therapeuten, de mensen op onderzoeks- en behandelafdelingen die hun werk met hart en ziel, met kennis van zaken en met oog voor de mens achter de patiënt deden. Maar het zijn ook weleens schrijnende verhalen, verhalen van ervaringen waarin mensen zich niet gezien en erkend voelden in het contact met de zorgverlener.
 
Iedereen heeft de fundamentele behoefte om gezien te worden als een uniek mens. De Amerikaanse klinisch psycholoog Abraham Harold Maslow (1901-1970), bekend van de Piramide van Maslow, plaatste de behoefte aan contact en verbondenheid met de mensen om je heen in de top drie van de menselijke behoeften.
 
Tegenwoordig worden er kanttekeningen geplaatst bij de hiërarchische ordening in zo’n piramidestructuur. Maar men is het erover eens dat deze behoefte aan contact, samen met de lichamelijke basisbehoeften en de behoefte aan veiligheid en zekerheid, een fundamentele menselijke behoefte is.
 
Hierop is de holistische mensvisie gebaseerd, waarin een mens wordt beschouwd als een wezen waarvan het lichamelijke, psychische, sociale en religieuze aspect een eenheid vormen. Zo bezien zou het vanzelfsprekend moeten zijn om mensen, juist als zij kwetsbaar zijn door ziekten of beperkingen, te bejegenen vanuit dat holistische perspectief.
 
En toch gebeurt het tot op de dag van vandaag dat werken in de zorg wordt weggezet als ‘billen wassen’. Terwijl een mens die deze zorg nodig heeft, zoveel meer is dan slechts ‘billen die gewassen moeten worden’.
 
Als ik dit soort opmerkingen hoor, vraag ik me altijd af of diegene zelf wel eens hulp nodig heeft gehad bij het wassen en aankleden, bij het opstaan uit de stoel of het naar het toilet gaan, bij het snijden van het brood of het nemen van een hapje van het toetje. Als je dat hebt ervaren, wordt werkelijk duidelijk hoeveel verschil het maakt of de ander je bejegent als mens of als object, als billen die gewassen moeten worden. En hoeveel sterker speelt dit als je bij deze dagelijkse handelingen altíjd afhankelijk bent van andere mensen...
 
Henri Nouwen, een rooms-katholieke priester en hoogleraar die zijn leerstoel aan de Harvard Universiteit opgaf en ging wonen en werken in een gemeenschap van gehandicapten, laat de behoefte aan echt contact, aan verbondenheid met anderen treffend zien in zijn boek ”Een parel in Gods ogen”: „...hun diepste verdriet is niet dat zij gehandicapt zijn, maar (...) dat niemand om hen lijkt te geven. Het is gemakkelijker om te accepteren dat je niet meer kunt praten of lopen, dat je niet zelfstandig kunt eten en dat anderen je steeds moeten helpen bij het wassen en aankleden, dan dat niemand je waardeert om wie je bent.”
 
Zo belangrijk is het om gezien en erkend te worden als een uniek mens!