Terug

Lopende onderzoeksaanvragen

Lopende onderzoeksaanvragen

Effect van implementatie van een CVRM-zorgprogramma op cardiovasculair risico in de huisartsenpraktijk: een vergelijking van twee huisartsenregisters uitklapper, klik om te openen

Door gedrag te veranderen en/of geneesmiddelen te gebruiken kunnen factoren die het risico op cardiovasculaire aandoeningen verhogen verminderd worden. Preventie gericht op die risicofactoren (bijvoorbeeld roken, overgewicht, en verhoogde bloeddruk) kan goed in de eerstelijnszorg toegepast worden. Waar eerder onderzoek vooral heeft gekeken naar korte termijneffecten, zal dit project naar de lange termijneffecten van preventie gericht op cardiovasculaire aandoeningen in huisartsenpraktijken in kaart brengen. Dit wordt gedaan door JHN-data over de regio Utrecht te vergelijken met data uit de regio Eindhoven. Daar loopt namelijk sinds 2013 een project waarvoor in de huisartsenzorg actief en intensief gewerkt wordt aan preventieve hartvaatziekte zorg. De vraag is nu of deze intensieve aanpak inderdaad zorgt voor een verbetering van de gezondheid van de patiënten op het gebied van hart- en vaatziekten. Bij het vergelijken van de twee regio’s wordt specifiek gekeken naar veranderingen in risicofactorniveaus en in de kans op het krijgen van cardiovasculaire aandoeningen. Bij vragen kunt u contact opnemen met Michiel Bots.

ELEMENT-project. Verbetering van de prognose van lage luchtweginfecties door het samenspel tussen hart en longen te onderzoeken. uitklapper, klik om te openen

Lage luchtweginfecties, zoals longontsteking, komen veel voor bij volwassenen en zijn meestal goed te behandelen. Toch moeten sommige patiënten met lage luchtweginfecties naar het ziekenhuis voor een behandeling. Er wordt gedacht dat hart- en vaatziekten een grote invloed hebben op het risico om opgenomen te worden in het ziekenhuis met een lage luchtweginfectie. Andersom lijkt het er ook op dat lage luchtweginfecties het risico op hart- en vaatziekten vergroten. Dat wordt bijvoorbeeld gezien bij patiënten die corona hebben gehad.
Met dit project wordt geprobeerd om het samenspel tussen de longen en het hart beter te begrijpen, door te onderzoeken hoe cardiovasculaire aandoeningen het ziektebeloop van een lage luchtweginfectie beïnvloeden. Daarnaast wordt gekeken naar welke patiënten risico lopen op het krijgen of erger worden van hart- en vaatziekten nadat zij een lage luchtweginfectie hebben gehad. Voor dit project worden JHN-data van patiënten die bij de huisarts zijn geweest met een lage luchtweginfectie gecombineerd met andere gegevens zoals ziekenhuisopnamen, corona test- en vaccinatiegegevens en overlijdensgegevens. De uitkomsten van dit project kunnen huisartsen helpen om het risico op ziekenhuisopnames bij patiënten met een lage luchtweginfectie in te schatten en kunnen dit gebruiken in hun beslissingen over de behandeling.
Dit onderzoek duurt 4 jaar (maart 2022 tot maart 2026). Bij vragen kunt u contact opnemen met Merijn Rijk, arts-onderzoeker op dit project, via m.h.rijk@umcutrecht.nl.

Niet-specifieke EFFecten van geïnactiveerde Influenza VAccinatie (EFFIVA-studie) uitklapper, klik om te openen

Ieder jaar krijgt 10-15% van de wereldbevolking het influenzavirus of 'de griep'. Vooral voor kwetsbare groepen en ouderen kan de griep levensbedreigend zijn. In Nederland worden ieder jaar ongeveer 6 miljoen mensen van 60 jaar of ouder, of met een bepaalde medische voorgeschiedenis uitgenodigd voor de griepprik. Het doel van de griepprik is om (complicaties van) de griep te voorkomen. Bij zogeheten ‘niet-specifieke effecten’ van vaccins, zoals bijvoorbeeld de griepprik, zijn gevolgen van vaccinatie niet gericht op de verwekker waartegen wordt gevaccineerd, maar gericht op andere verwekkers. Er zijn studies die laten zien dat de griepprik zulke ‘niet-specifieke effecten’ tegen COVID-19 kan hebben. Het krijgen van de griepprik kan bijvoorbeeld zorgen voor minder ziekenhuisopnames of sterfte door COVID-19. Hoelang deze effecten duren is nog niet goed bekend, maar er wordt gedacht dat de effecten 6 weken tot 3 maanden duren. In de EFFIVA-studie onderzoeken we twee niet-specifieke effecten: het voorkomen van COVID-19 en het aantal huisartsbezoeken voor luchtwegklachten. Duur studie: Twee jaar. Contact gegevens: Annemarijn de Boer 

Perspectieven en kennis om gezond leven in specifieke groepen te verbeteren uitklapper, klik om te openen

Voor de Nationale Wetenschapsagenda start het UMCU Julius Centrum een studie om bij te dragen aan het verbeteren van preventieactiviteiten van huisartsenpraktijken en andere aanbieders in de Utrechtse wijk bij hart-en-vaat-ziekten. Met preventieactiviteiten proberen huisartsen ernstige gezondheidsproblemen te voorkomen. In dit onderzoek gaan we kijken wat de ervaringen en wensen zijn van burgers met gezond leven en met de ondersteuning hierbij vanuit de mensen om hen heen (familie, vrienden, huisarts, buurthuis enzovoorts). Voor deze studie worden burgers uitgenodigd die een cardio-metabole aandoening hebben én die een andere culturele context hebben, anderstalig zijn en/of wonen in een achterstandswijk.
In totaal worden 1-3 huisartsenpraktijken in de regio Utrecht betrokken. Zij bieden van februari – april 2022 ondersteuning bij het vinden van 60 burgers die een hartvaatziekte hebben gehad. Deze burgers worden uitgenodigd voor deelname aan één van de zes focusgroepen. Bij deze focusgroepen zal een vertaler vanuit de betreffende doelgroep aanwezig zijn. Met de huisartsenpraktijk wordt ook afgestemd welke leefstijl programma's de huisartspraktijk graag zou evalueren.
De deelnemers aan de focusgroep zullen ook gevraagd worden om mensen om hen heen te vragen mee te doen aan een aanvullend online interview. Dat interview moet inzicht geven in de bijdrage die formele en informele contacten hebben op de (gezonde) leefstijl.
Bij vragen en opmerkingen kunt u contact opnemen met Helene Voogdt 

Verschillen tussen vrouwen en mannen in de medicamenteuze behandeling van hypertensie in de eerste lijn in Nederland. uitklapper, klik om te openen

Hart- en vaatziekten leveren een grote bijdrage aan het aantal ziektes en overlijdens wereldwijd, en dit aantal neemt alleen maar toe. Het hebben van een hoge bloeddruk verhoogt het risico op het krijgen van hart- en vaatziekten. In Nederland neemt het aantal mensen met een hoge bloeddruk toe. Een groot deel van de mensen met hoge bloeddruk wordt door de huisarts behandeld. Het is al langer bekend dat er verschillen zijn tussen hoge bloeddruk in vrouwen en mannen. Zo komt hoge bloeddruk vaker voor bij mannen dan bij vrouwen vóór de overgang, na de overgang is dit juist andersom. Ook lijken de onderliggende oorzaken van hoge bloeddruk te verschillen in vrouwen en mannen. Daarnaast zijn er verschillen gevonden in de manier waarop vrouwen en mannen reageren op de medicatie tegen hoge bloeddruk. Ondanks al deze verschillen is de behandeling van hoge bloeddruk voor vrouwen en mannen toch vaak hetzelfde. In deze studie kijken we hoe vrouwen en mannen behandeld worden voor hoge bloeddruk in de huisartsenpraktijk. Zo kunnen we hopelijk meer inzicht krijgen in hoeverre er verschillen zijn in deze behandeling of juist niet en waarom deze bestaan als ze er wel zijn. Deze studie gebruikt data van alle patiënten in de database met hoge bloeddruk, waarvan ook de medische voorgeschiedenis en de medicatie bekend is. De data wordt gebruikt om te kijken naar verschillen tussen vrouwen en mannen in de hoeveelheid, soort en dosering van medicatie tegen hoge bloeddruk. Wij hopen dat dit onderzoek bijdraagt aan de kennis over de behandeling van hoge bloeddruk in de huisartsenpraktijk. Hopelijk kan er zo in de toekomst worden gewerkt aan een behandeling van hoge bloeddruk die specifiek gericht is op vrouwen of mannen. Duur studie: september 2021 t/m maart 2022
Bij vragen en opmerkingen kunt u contact opnemen met M. Hollander

Het Effect van de Anticonceptie Pil op Emotieregulatie tijdens Adolescentie uitklapper, klik om te openen

De anticonceptiepil wordt door miljoenen vrouwen wereldwijd gebruikt. In de praktijk wordt gezien dat de meeste vrouwen geen verschil merken bij het gebruik van de pil, terwijl anderen minder goed met hun emoties kunnen omgaan of zelfs depressief of angstig worden. Daarnaast is er nog een groep vrouwen die zich juist beter voelen door het gebruik van de pil. Door het grote verschil in reacties op de pil is er geen duidelijk antwoord te geven op de vraag hoeveel en welk effect de pil heeft op emoties.  Het overgrote deel van het onderzoek naar het effect van de pil op emotie is gedaan met volwassenen, terwijl de pil vaak voor het eerst wordt gebruikt tijdens adolescentie. De effecten van de pil kunnen dus anders zijn voor jong volwassenen. Het doel van deze studie is om te onderzoeken bij wie de pil voor verslechterde regulatie van emoties zorgt. De uitkomsten kunnen zorgen voor meer informatie voor de voorschrijver en toekomstige gebruikers van de pil. Deelnemers aan het onderzoek wordt gevraagd om gedurende drie maanden twee keer op gesprek te komen bij de onderzoekers op Utrecht Science Park. Het eerste gesprek vindt plaats voordat er met de pil wordt begonnen en het tweede gesprek nadat de pil drie maanden is gebruikt. Tijdens deze gesprekken vinden er verschillende onderzoeken plaats zoals het invullen van een aantal vragenlijsten en de reactie op bepaalde afbeeldingen en geluiden. Huisartsen binnen en rondom de regio Utrecht wordt gevraagd om de informatie en flyer van dit onderzoek te delen met toekomstige pil gebruikers. Duur studie: oktober 2021 t/m maart 2023Voor vragen en opmerkingen  kunt u contact opnemen met A.M.Doornweerd

E.mbrace: een studie naar het voorkómen van (ernstige) E.coli infecties door middel van vaccinatie uitklapper, klik om te openen

De bacterie E. coli is de belangrijkste veroorzaker van blaasontstekingen. Een ernstige complicatie die hierbij kan optreden is bloedvergiftiging. Vooral volwassenen ouder dan 60 jaar die in de afgelopen twee jaar een blaasontsteking hadden, hebben een verhoogd risico op deze complicatie.  Ondanks opname in het ziekenhuis en behandeling met antibiotica via het infuus, kan bloedvergiftiging leiden tot complicaties en overlijden. Daarnaast worden E. coli bacteriën steeds minder gevoelig voor antibiotica en kan het zijn dat alleen nog antibiotica via het infuus werken, waardoor een patiënt langer voor behandeling opgenomen moet blijven in het ziekenhuis.
Het is daarom van belang om te zoeken naar mogelijkheden om het risico op bloedvergiftiging door de E. coli bacterie te verlagen. Met dat doel is een vaccin ontwikkeld, dat in eerdere onderzoeken veilig is gebleken en zorgt voor goede afweer tegen meerdere soorten E. coli. Het vaccin is nog niet geregistreerd als geneesmiddel en bevindt zich in de laatste fase van het onderzoek om geregistreerd te kunnen worden.
Door volwassenen van 60 jaar en ouder die in de afgelopen twee jaar een blaasontsteking hadden via loting ofwel het E. coli vaccin ofwel een placebo vaccin toe te dienen, willen we onderzoeken of het vaccin ook bloedvergiftiging met E. coli kan voorkomen of verminderen. In totaal zullen wereldwijd 18.556 deelnemers worden ingesloten in de studie waarvan 500 deelnemers in de regio Utrecht.

Voor vragen en opmerkingen kunt u contact opnemen met prof. dr. M.J.M. Bonten.

Hevige menstruatie en stollingsstoornissen bij meisjes in de eerste lijn. uitklapper, klik om te openen

Jongvolwassen vrouwen met hevig menstrueel bloedverlies (HMB) hebben vaak al jaren klachten, voordat er wordt gedacht aan een mogelijk onderliggende bloedingsstoornis. Deze jarenlange vertraging zorgt voor onjuiste behandeling, minder maatschappelijke participatie, meer psychische problemen en sociaal isolement.
Om bij vrouwen met HMB eerder een mogelijk onderliggende bloedstollingsstoornis te ontdekken is er een digitale vragenlijst ontwikkeld (SASI). Op dit moment is nog onduidelijk of het ook zinvol is deze vragenlijst in de huisartspraktijk te gebruiken. In deze studie wordt gekeken of het gebruik van deze vragenlijst de huisarts en de patiënt kan helpen om eerder een diagnose te stellen. Hiervoor worden de gegevens gebruikt van vrouwen met HMB. Door middel van deze gegevens wordt gekeken welke diagnostiek de huisarts nu toepast en hoe deze vrouwen worden behandeld. Daarnaast wordt gekeken hoe vaak jongvolwassenen vrouwen met HMB zich bij de huisarts melden. Duur studie: 1 april 2021 t/m 1 oktober 2022.  
Voor vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met S.J. van t Klooster

CovidTherapy@Home uitklapper, klik om te openen

In de studie Covidtherapie@home wordt onderzoek gedaan naar het ontwikkelen en evalueren van een werkwijze waarbij patiënten met een COVID-19 infectie (waarbij patiënten een verlaagd zuurstofgehalte en/of verhoogde ademarbeid hebben) veilig in de thuissetting kunnen worden behandeld en gemonitord. Hiermee wordt een reguliere zorgopname voorkomen. Daarmee wordt COVID-19 patiënten het isolement van een ziekenhuisopname bespaard en wordt de ziekenhuiszorg ontlast. De huisarts zal inschatten of een patiënt geschikt is voor deelname aan de studie. Als de patiënt geschikt is en interesse heeft in studiedeelname, zal de patiënt thuis de benodigde behandeling ontvangen (bijv. zuurstof en/of medicatie). Patiënten zullen drie keer per dag hun klachten en vitale waarden bijhouden in een app of een dagboek. Zij voeren zelf metingen uit van zuurstofsaturatie, hartslag en temperatuur. Deze gegevens worden volgens een strikt protocol gemonitord door het Medisch Regiecentrum (UMC Utrecht). Op (tenminste) dag 0, 1, en 2 van de thuisbehandeling zal een thuiszorgverpleegkundige bij patiënten langsgaan voor klinische evaluatie en ondersteuning. Patiënten worden 30 dagen gevolgd. De studie zal lopen tot 30 patiënten zijn geïncludeerd of totdat de werkwijze 'uitontwikkeld' is.
Voor vragen over de studie kan contact worden opgenomen met het onderzoeksteam: covidtherapyhome@umcutrecht.nl of bellen met 0631118402

Van Wijkdata naar Wij(k)doen uitklapper, klik om te openen

Het project van Wijkdata naar Wij(k)doen is tot stand gekomen om de gezondheid in de verschillende wijken in Utrecht te bevorderen. In wijken zijn er professionals met verschillende achtergronden die werken aan gezondheid en welzijn van inwoners. Hierbij kan je denken aan de gemeente, huisartsen, fysiotherapie, sociale wijkteam etc. Door de professionals met elkaar in gesprek te laten gaan tijdens wijksessies, willen we de gezondheid in de verschillende wijken in Utrecht bevorderen. Tijdens deze sessies gaan deelnemers door middel van verschillende werkvormen aan de slag met gegevens over de gezondheid in de wijk, waaronder gegevens uit JHN. De gegevens uit JHN worden alleen op wijk- en subwijkniveau gedeeld en niet op individueel niveau.
Ieder vakgebied verzamelt data en in dit project proberen we die bij elkaar te brengen, een gedeeld beeld te krijgen en samen focus te kiezen in plaats van dat ieder dit binnen zijn eigen vakgebied doet.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Anna Kersten.

Sekseverschillen in primaire gezondheidszorgcontacten voorafgaand aan de diagnose van perifeer arterieel vaatlijden. uitklapper, klik om te openen

Perifere vaatziekte (PAD) is een vernauwing van de perifere slagaders die de benen, de maag, de armen en het hoofd bedienen. "Perifeer" betekent in dit geval: weg van het hart, in de buitenste regionen van het lichaam. PAD tast meestal de slagaders in de benen aan. Dit kan leiden tot terugkerende vermoeidheid, een krampend gevoel of pijn. Dit wordt ook wel claudicatio intermittens genoemd (pijn of zwakte tijdens het lopen die met rust wordt verlicht). Slechts de helft van de oudere bevolking met PAD heeft klachten.  Ongeveer 40% van de PAD-patiënten heeft geen klachten, en slechts 10% heeft typische claudicatio intermittens. PAD wordt van oudsher beschouwd als een ziekte die die meer voorkomt bij mannen dan bij vrouwen. Maar recente studies naar PAD stellen dat vrouwen minstens even vaak als mannen worden getroffen. Sommige studies wijzen op geslachtsverschillen in PAD door verschillen in soort symptomen, functionele status en behandelingskeuze. In dit onderzoek willen we bestuderen of mannen en vrouwen verschillen in de hoeveelheid contacten met de huisartsen voorafgaand aan de diagnose PAD en of zij verschillen in de hoeveel andere ziekten zij daarnaast nog hebben. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met gegevens uit het huisartsendossier van patiënten met een eerste verdenking op PAD (voordat de diagnose echt gesteld is). Voor elke patiënt met verdenking op PAD worden ook de gegevens opgevraagd van vier controle personen die geen verdenking op PAD hebben op het moment dat de patiënt gediagnosticeerd is en die dezelfde leeftijd en  geslacht heeft en uit dezelfde huisartsenpraktijk komt.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Michiel Bots, Arts-epidemioloog

OPTIMA uitklapper, klik om te openen

Een acute middenoorontsteking komt vaak voor op kinderleeftijd. Ondanks de inzet van de gebruikelijke pijnstillers (paracetamol, ibuprofen) en op indicatie antibiotica, gaat de aandoening gepaard met oorpijn en ongemak bij het kind. Daarnaast heeft het ook impact op het gezin door slapeloze nachten, school- en werkverzuim. Het is daarom belangrijk dat gezocht blijft worden naar behandelingen die de klachten kunnen verlichten. Pijnstillende oordruppels lijken een snel maar kort effect te hebben in eerdere studies. Het huidige bewijs is alleen van onvoldoende kwaliteit om een zekere uitspraak over het effect te kunnen doen. In dit project wordt onderzocht of pijnstillende oordruppels (Otalgan®) bovenop de standaardzorg leidt tot minder oorpijn bij kinderen van 1-6 jaar die de huisarts bezoeken met een acute middenoorontsteking. Dit wordt gedaan door 300 kinderen middels loting toe te wijzen aan:
of 1) Otalgan® max. 6 keer/dag 1-2 druppels gedurende 7 dagen bovenop standaardzorg
of 2) standaardzorg.
Voor vragen kunt u contact opnemen met dr. R.P. Venekamp, de hoofdaanvrager van de studie.

Passend voorschrijven – Stoppen van preventieve medicatie bij patiënten met een levensverwachting van minder dan een jaar. uitklapper, klik om te openen

Gedurende de laatste fase van het leven is het gebruik van sommige medicatie niet langer zinvol omdat de oorspronkelijke indicatie niet meer aanwezig is, of omdat de werking van het geneesmiddel de levensverwachting overschrijdt.
Doorgaan met deze medicatie weegt dan voor de patiënt niet meer op tegen mogelijke bijwerkingen, de kosten en de belasting van het innemen van de medicatie. Bovendien wordt de patiënt op deze manier niet behandeld volgens het centrale doel van zorg in de palliatieve levensfase: het optimaliseren van de kwaliteit van leven.
In samenwerking met verpleegkundig specialisten, huisartsen en apothekers streven we ernaar patiënten met een levensverwachting van minder dan een jaar tijdig te identificeren. Vervolgens zal de verpleegkundig specialist met deze patiënten in gesprek gaan om gezamenlijk een nieuw medicatieplan te maken.
Met de gegevens van de JHN database kunnen we een goede inschatting maken van hoe en hoe vaak er in het afgelopen jaar dergelijke gesprekken zijn gevoerd met patiënten om de medicatie te stoppen. Hiermee kunnen we dan de resultaten van ons onderzoek vergelijken waarin we middels een nieuwe strategie patiënten in de laatste levensfase eerder willen identificeren en gesprekken mee aan gaan over onder andere hun medicatie.
De studie heeft een looptijd van 2 jaar (juli 2020-2022). Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Dr. Ir. FH van der Baan.

Langdurig gebruik van Fosfomycine voor de behandeling van Cystitus in de eerste lijn. uitklapper, klik om te openen

Blaasontsteking is bij vrouwen de meest voorkomende reden om naar de huisarts te gaan. Een blaasontsteking wordt in principe behandeld met een 5-daagse nitrofurantoïnekuur. De tweede behandelkeus is een eenmalige dosering van 3 gram fosfomycine. Fosfomycine wordt steeds vaker voorgeschreven. De eenmalige dosering is patiëntvriendelijk en het heeft weinig bijwerkingen. Eerder onderzoek liet geen verschil zien tussen de werkzaamheid van nitrofurantoïne en fosfomycine, maar een recent onderzoek heeft dat in twijfel getrokken. Het vermoeden bestaat dat dit met de dosering van fosfomycine te maken kan hebben.
In dit onderzoek worden drie verschillende behandelingen bij vrouwen met een blaasontsteking vergeleken.
Deze behandelingen zijn:
- eenmalig fosfomycine
- tweemaal fosfomycine (op dag 1 en 3)
- een 5-daagse nitrofurantoïnekuur
Verwachte uitkomsten: Dit onderzoek bekijkt of een van deze behandelingen het snelst leidt tot het verdwijnen van klachten. De behandeling van een veel voorkomend probleem kan zo worden verbeterd.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Tamara Platteel.

Behandeling van UTI bij mannen uitklapper, klik om te openen

Blaasontstekingen komen veel voor, maar veel vaker bij vrouwen dan bij mannen. Blaasontstekingen komen bij mannen vaker voor naarmate ze ouder worden. Ook hebben mannen een grotere kans om ernstiger ziek te worden van een blaasontsteking dan bijvoorbeeld niet zwangere gezonde vrouwen.
Er is maar weinig onderzoek gedaan naar de behandeling van blaasontstekingen bij mannen. Er bestaan daardoor ook twijfels over wat de beste behandeling is voor blaasontstekingen bij mannen. We vermoeden dan ook dat hierdoor de bestaande richtlijn voor de behandeling van blaasontstekingen bij mannen niet altijd goed gevolgd wordt. Met dit onderzoek willen we onderzoeken in hoeverre de richtlijn wordt gevolgd en wat het risico is dat patiënten hiervan nadelen ondervinden.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Tamara Platteel.

DICKENS 2 uitklapper, klik om te openen

In de “DICKENS2” studie wordt onderzocht wat de invloed van de Corona uitbraak op de opsporing van kanker is. Reden is dat het aantal nieuwe kankerdiagnoses tijdens de eerste Corona golf 20-25% lager lag dan in voorafgaande jaren. Voor patiënten met een melanoom zelfs meer dan 40% lager (COVID-19 en kanker - IKNL).  Opsporing bij deze mensen is naar verwachting vertraagd omdat patiënten hun bezoek aan de huisarts uitstelden en omdat reorganisatie in de huisartspraktijk het opsporen van kanker minder goed mogelijk maakte. Ook de ziekenhuizen moesten reorganiseren, waardoor aanvullend onderzoek minder snel mogelijk was. Voor het onderzoek naar de vertraging in kankerdiagnostiek wordt naast de data van het Julius Huisartsen Netwerk (JHN) ook data gebruikt van andere huisartsen netwerken in Nederland (Amsterdam, Groningen en Maastricht), waarmee JHN nauw samenwerkt (het Intercity Netwerk). De data van al deze netwerken worden gekoppeld aan de Nederlandse kankerregistratie (NKR).  In deze data worden, voor verschillende kankervormen (longkanker, borstkanker, darmkanker, melanoom), de volgende onderzoeksvragen beantwoord:
- Hoe vaak presenteerden mensen zich met alarmsymptomen voor kanker bij de huisarts,in vergelijking tot voor de Corona pandemie?
- Wat is de toename in de tijd tussen;
  o Eerste klacht bij de patiënt en presentatie bij de huisarts
  o Presentatie bij de huisarts en verwijzing naar een medisch specialist
Het onderzoek is een vervolg op de Dickens I studies waarin het diagnostisch proces van kanker in beeld gebracht werd. Door dit vervolgonderzoek kunnen wij concrete aanbevelingen geven voor het beleid en de communicatie bij het verloop van de Corona pandemie om effectieve kanker opsporing zoveel mogelijk te behouden. De Dickens2 studie maakt deel uit van een groter project, Covid Cancer Care NL. Dit project bestrijkt naast de huisartsenzorg ook de ziekenhuiszorg.  owel de Dickens 2 als Covid Cancer Care NL zijn gefinancierd door ZonMw.  
Contactpersonen: Dr Charles Helsper – Arts onderzoeker en Matthew Grant – Arts onderzoeker 

De vroege detectie van antilichaamdeficiënties in de eerstelijnsinstellingen. uitklapper, klik om te openen

Antistof-deficiënties zijn zeldzame ziektes van het afweersysteem. Hierbij is er een probleem met het maken van antistoffen. Antistoffen zijn eiwitten die bijvoorbeeld belangrijk zijn in de afweer tegen bacteriën. Een gebrek aan antistoffen kan veel verschillende klachten geven. Bijvoorbeeld ontstekingen die vaak terugkomen.  
Omdat antistof deficiënties zeldzaam zijn en veel verschillende soorten klachten kunnen geven, worden ze vaak pas laat ontdekt. Soms kan het meer dan 10 jaar duren voordat de ziekte wordt herkend. In deze periode kan een patiënt al ernstige gezondheidsklachten hebben. Dit terwijl er goede behandelingen voor antistof deficiënties bestaan. Als een antistof deficiëntie eerder wordt herkend, kan er ook eerder worden gestart met de behandeling. Zo kunnen ernstige gezondheidsklachten worden voorkomen.
Om antistof deficiënties eerder te herkennen heeft het UMC Utrecht een puntensysteem ontwikkeld. Dit puntensysteem kan de huisarts helpen om te bepalen welke patiënten een verhoogd risico hebben op een antistof deficiëntie. Hiervoor worden punten gescoord op basis van bepaalde codes die zijn vastgelegd in het huisartsendossier. Dit zijn codes die gaan over klachten, voorgeschreven medicijnen en uitslagen van bloedonderzoek.
In het GP-PAD onderzoek kijken we of we met behulp van het puntensysteem patiënten met een antistofdeficiëntie eerder kunnen herkennen binnen de huisartsenpraktijk. Als eerste stap is dit puntensysteem toegepast op de huisartsendossiers van 30 patiënten met een bekende antistof deficiëntie. In samenwerking met het Julius Huisartsen Netwerk zullen we dit puntensysteem ook toepassen op de anonieme huisartsendossiers van een algemene populatie. Hierdoor kunnen we goed het verschil zien in het aantal punten van patiënten met een antistof deficiëntie en het gemiddeld aantal punten van patiënten uit de algemene bevolking. Met deze informatie kunnen we het puntensysteem verder verbeteren. In de vervolgstappen van dit onderzoek zullen we kijken of we met behulp van dit puntensysteem nieuwe patiënten met een antistofdeficiëntie kunnen herkennen. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marianne Messelink.

2020

Early@home, telemonitoring voor herstellende COVID-19 patiënten uitklapper, klik om te openen

Een opname voor COVID-19 is soms nodig. Het kan echter heel vervelend zijn voor patiënten om lang en in isolatie opgenomen te liggen in het ziekenhuis. We weten dat patiënten vaak prettiger herstellen in een bekende omgeving. We willen daarom onderzoeken of patiënten die herstellen van COVID-19 eerder naar huis kunnen gaan. Dit wordt gedaan onder verantwoordelijkheid van het ziekenhuis. De patiënt voert tijdens het vervroegde ontslag zelf drie keer per dag symptomen, zuurstof en temperatuur in via een app. Daarnaast wordt er 1x per dag gebeld vanuit het ziekenhuis. Als de patiënt voldoende is hersteld, wordt hij of zij ontslagen van ziekenhuiszorg en wordt de zorg weer overgedragen aan de huisarts. We verwachten hiermee het aantal opgenomen dagen in het ziekenhuis te kunnen verminderen voor patiënten met COVID-19.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Harriët van Goor, arts-onderzoeker UMCU, H.M.R.vanGoor-3@umcutrecht.nl.

De epidemiologie, diagnostiek en behandeling van chronische galbulten in de eerste lijn uitklapper, klik om te openen

Chronische galbulten (Netelroos) komen veel voor. Patiënten kunnen zeer veel last hebben van jeuk, wat tot grote beperkingen in het dagelijks leven kan leiden.  De meeste patiënten worden in de huisartsenpraktijk behandeld voor hun galbulten. Een klein deel wordt, wanneer er onvoldoende verbetering is, doorverwezen naar een medisch specialist (dermatoloog/allergoloog). De oorzaak van deze aandoening en waarom bepaalde geneesmiddelen wel of niet helpen is nog onvoldoende begrepen. De meeste onderzoekdata komen uit onderzoeken met patiënten die verwezen zijn naar de universitaire ziekenhuizen. Daardoor weten we van de grootste groep patiënten, namelijk de patiënten die door de huisarts worden behandeld, nog onvoldoende over deze aandoening. Door de hele groep te analyseren t.a.v. het ziektebeloop, de diagnostiek en het effect van behandeling, hopen wij meer inzichten te krijgen in deze aandoening en hiermee de behandeling te verbeteren.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dr. Heike Rockmann, afdeling dermatologie/allergologie UMC Utrecht

IMITHOT-studie een gerandomiseerd onderzoek naar de rol van het microbioom in het ontstaan van auto-immuun hypothyreoïdie uitklapper, klik om te openen

Bij de ziekte van Hashimoto richt het eigen afweersysteem zich tegen schildkliercellen. Als gevolg hiervan gaan de cellen kapot en ontstaat er een hypothyreoïdie. Ook wel een  traag werkende schildklier genoemd. Hierdoor kunnen er allerlei klachten ontstaan. De huidige behandeling bestaat uit tabletten die het te kort aan schildklierhormoon aanvullen. Beter bekend als levothyroxine. Met dit medicijn wordt echter niet de onderliggende oorzaak aangepakt.
Recent onderzoek laat zien dat bij er bij  patiënten met Hashimoto sprake is van een verstoring in de samenstelling van de darmflora. Door te veel ‘slechte’ darmbacteriën kan het evenwicht in de darm verstoord raken. Hierdoor wordt het afweersysteem onnodig aangezet en worden de schildkliercellen afgebroken. In het Amsterdam UMC (locatie AMC) wordt onderzocht of het veranderen van de samenstelling van de darmflora langdurig goede effecten heeft op de nog resterende functie van de schildklier. Op deze manier kan er wellicht voorkómen worden dat iemand levothyroxine nodig heeft. Dit onderzoek heet de IMITHOT-studie. De uitkomst van de studie kan grote invloed hebben op de toekomstige behandeling van patiënten met trage schildklierfunctie. Hierbij kan je denken aan een behandeling  met een nieuw soort probiotica-drankje. Gedurende het onderzoek wordt er in totaal driemaal een poeptransplantatie toegediend. Dit met tussenpozen van acht weken. Hiervoor wordt er een dun slangetje via de neus tot in de dunne darm ingebracht. De deelnemers worden geloot in één van de twee behandelgroepen. De ene groep krijgt een poeptransplantatie van een gezonde donor en de andere groep krijgt een poeptransplantatie met eigen ontlasting. Recent is door ons een onderzoek gepubliceerd naar de rol van poeptransplantaties bij mensen die net de diagnose diabetes type 1 hebben gekregen. Hieruit bleek dat in beide behandelgroepen (dus zowel een poeptransplantatie van een donor, als van eigen ontlasting), de insulineproductie een jaar lang stabiel bleef. Zonder de poeptransplantaties zou dit alleen maar achteruit zijn gegaan. Daarom is de groep die eigen ontlasting toegediend krijgt geen placebogroep. Voor de IMITHOT-studie komen patiënten in aanmerking waarbij er kortgeleden in het bloed werd gezien dat het TSH (schildklier stimulerend hormoon) te hoog is. Hierbij moet er nog wel voldoende schildklierhormoon (FT4) aanwezig zijn. Ook moeten de antistoffen (anti-TPO) aanwezig zijn. Het onderzoek richt zich specifiek op deze groep patiënten. Bij deze groep is er nog niet zoveel schade van de schildklier dat er gestart moet worden met levothyroxine.
Het onderzoek loopt nog tot en met 2022.
Voor meer informatie of aanmelden voor het onderzoek kunt u een mail sturen naar A. Fenneman.

Passend voorschrijven – Stoppen van preventieve medicatie bij patiënten met een levensverwachting van minder dan een jaar uitklapper, klik om te openen

Gedurende de laatste fase van het leven is het gebruik van sommige medicatie niet langer zinvol omdat de oorspronkelijke indicatie niet meer aanwezig is, of omdat de werking van het geneesmiddel de levensverwachting overschrijdt. Doorgaan met deze medicatie weegt dan voor de patiënt niet meer op tegen mogelijke bijwerkingen, de kosten en de belasting van het innemen van de medicatie. Bovendien wordt de patiënt op deze manier niet behandeld volgens het centrale doel van zorg in de palliatieve levensfase: het optimaliseren van de kwaliteit van leven. In samenwerking met verpleegkundig specialisten, huisartsen en apothekers streven we ernaar patiënten met een levensverwachting van minder dan een jaar tijdig te identificeren. Vervolgens zal de verpleegkundig specialist met deze patiënten in gesprek gaan om gezamenlijk een nieuw medicatieplan te maken. Met de gegevens van de JHN database kunnen we een goede inschatting maken van hoe en hoe vaak er in het afgelopen jaar dergelijke gesprekken zijn gevoerd met patiënten om de medicatie te stoppen. Hiermee kunnen we dan de resultaten van ons onderzoek vergelijken waarin we middels een nieuwe strategie patiënten in de laatste levensfase eerder willen identificeren en gesprekken mee aan gaan over onder andere hun medicatie. De studie heeft een looptijd van 2 jaar (juli 2020-2022).
Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met: Dr. Ir. FH van der Baan

CovidSat@Home: ‘Een gerandomiseerde, gecontroleerde studie naar de haalbaarheid en veiligheid van thuismonitoring van (vermoedelijke) COVID-19 patiënten met een cardiovasculair risicoprofiel of cardiovasculaire ziekte middels pulseoximetrie’ uitklapper, klik om te openen

Op dit moment worden patiënten met matige tot ernstige klachten van (vermoedelijk) Covid-19 nauwgezet door de huisarts gevolgd via telefonische consulten. Het herkennen van een achteruitgang van de conditie is lastig omdat patiënten hier niet altijd typische klachten van ervaren. Het thuis meten van het zuurstofgehalte in het bloed met een apparaat dat op de vinger geplaatst wordt kan wellicht voordeel bieden door snellere herkenning van de verslechterde conditie die mogelijk ziekenhuisopname noodzakelijk maakt. Aangezien patiënten met (verhoogd risico op) hart- en vaatziekten een hoger risico lopen op een afwijkend beloop, richt deze studie zich op deze patiëntengroep.
Doel: Onderzoeken of het thuis meten van de zuurstofsaturatie bovenop gebruikelijke huisartsenzorg bij patiënten met (verhoogd risico op) hart- en vaatziekten die zich in de huisartspraktijk presenteren met matig-ernstige klachten van (vermoedelijk) COVID-19 haalbaar en veilig is in vergelijking met de gebruikelijke huisartsenzorg.
Methoden: Middels loting worden 50 patiënten toegewezen aan ofwel 1) gebruikelijke huisartsenzorg + het gedurende 2 weken thuis meten van zuurstofsaturatie en hartslagfrequentie middels pulseoximeter (= interventie), ofwel 2) gebruikelijke huisartsenzorg (= controle). Aan het einde van de studie (na 45 dagen) worden patiënten uit de interventiegroep middels een telefonisch interview gevraagd naar de ervaringen en het gebruik van de nieuwe interventie. Daarnaast zullen we huisartsen interviewen om inzicht te krijgen in hun ervaringen.
Verwachte uitkomsten:Gegevens over haalbaarheid, veiligheid en ervaringen van patiënten en huisartsen over toepassing van thuis meten van de zuurstofsaturatie bovenop gebruikelijke huisartsenzorg bij patiënten met (verhoogd risico op) hart- en vaatziekten die zich in de huisartspraktijk presenteren met matig-ernstige klachten van (vermoedelijk) COVID-19
Looptijd project: November 2020 – December 2021
Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met: D. Zwart.

Het gebruik van onbedoeld bloeddrukverhogende medicatie bij de algemene bevolking uitklapper, klik om te openen

Verhoogde of hoge bloeddruk (d.w.z. hypertensie) is een wereldwijd veel voorkomende aandoening. Een hoge bloeddruk kan veel gezondheidsproblemen veroorzaken en houdt verband met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten en is een belangrijke oorzaak van vroegtijdige sterfte. Hoge bloeddruk kan d.m.v. leefstijlaanpassingen en medicatie (antihypertensiva) verholpen worden. Het is echter aangetoond dat een meerderheid van de hypertensieve patiënten geen normale bloeddruk bereikt, zelfs ondanks gebruik van 3 of meer antihypertensiva. Meerdere op elkaar inwerkende leefstijlfactoren en aandoeningen (zoals diabetes of chronische nierziekte) kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van hypertensie, waarbij gebruikte medicatie onbedoeld de bloeddruk kan verhogen. Het effect van de meest gebruikte, niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s) is eerder onderzocht, maar andere medicatie die mogelijk kan bijdragen aan het verhogen van de bloeddruk heeft weinig aandacht gekregen.  
Doel: Het doel van het onderzoek is dan ook om de relatie te onderzoeken tussen potentieel bloeddrukverhogende medicatie en de bloeddruk bij de algemene populatie en de populatie die naar het ziekenhuis wordt verwezen vanwege een cardiovasculaire aandoening. De verwachting is dat de meerderheid van de gebruikers vrouwelijk en ouder zal zijn. Ook zal de verwachting zijn dat gelijktijdig gebruik van medicatie veel voorkomt. Ook is de verwachting dat er een significant effect op de bloeddruk te zien is tussen gebruikers en niet-gebruikers. De data die hiervoor gebruikt wordt, komt uit de JHN-database en de verwachting is dat deze data een representatieve steekproef zal zijn en de geschatte effecten kunnen worden gegeneraliseerd naar de Nederlandse bevolking.
Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Michiel L. Bots 

Eerstelijnsonderzoek naar de gevolgen van COVID-19 (PROCOVID-19) uitklapper, klik om te openen

COVID-19 is een pandemie met grote maatschappelijke, economische en gezondheidszorg gerelateerde gevolgen. Uit onderzoek blijkt dat patiënten die vanwege COVID-19 in een ziekenhuis opgenomen zijn geweest, langdurig lichamelijke en psychische klachten kunnen ervaren. Op dit moment is er onvoldoende bekend over de lange termijn gevolgen van COVID-19 infecties bij patiënten die door de huisarts zijn behandeld.
Het doel van de PRO-COVID-19 studie is uitzoeken wat de lichamelijke en psychische gevolgen zijn in de 12 maanden volgend op meer ernstige COVID-19 luchtweginfecties bij patiënten die behandeld zijn door de huisarts. Dit wordt vergeleken met gevolgen van meer ernstige luchtweginfecties door een andere oorzaak dan COVID-19. Dit is van belang om beter in te kunnen schatten voor welke aspecten huisartsen aandacht moeten hebben en hoe patiënten die herstellen van COVID-19 kunnen worden ondersteund.
Patiënten met meer ernstige luchtweginfecties van minimaal 18 jaar oud, die tussen 1 maart en 1 juni in de huisartsenpraktijk werden behandeld, kunnen deelnemen. Nadat door de deelnemer toestemming is gegeven, wordt een afspraak gemaakt om eenmalig 1 buisje bloed van 10 ml af te nemen. Dit is nodig om te kunnen onderzoeken of antistoffen tegen COVID-19 zijn aangemaakt.
Meedoen duurt in totaal maximaal 10 maanden. Elke drie maanden vullen de deelnemers vragenlijsten in over o.a. de gezondheidssituatie (zowel lichamelijk als psychisch) en medicatiegebruik, kwaliteit van leven, dagelijkse activiteiten en mogelijkheden om in te spannen. Verder verzamelen we data uit de medische dossiers van de deelnemers over o.a. contacten met de huisartsenpraktijk, de klachten, aanvullend onderzoek voor mogelijke COVID-19 gerelateerde klachten (bijv. hoesten, kortademigheid en pijn op de borst), gebruik van medicatie, doorverwijzing naar andere zorgverleners en sterfte.
Bij vragen over het onderzoek kan contact worden opgenomen met Infectieziekten HAG van het Julius Centrum:  
pro-covid@umcutrecht.nl 

Impact COVID-19 pandemie op incidentie, antibioticavoorschriften, complicaties en verwijzingen van veelvoorkomende infectieziekten in de 1ste lijn. uitklapper, klik om te openen

Impact COVID-19 pandemie op incidentie, antibioticavoorschriften, complicaties en verwijzingen van veelvoorkomende infectieziekten in de 1ste lijn.
De COVID-19 pandemie heeft in Nederland grote gevolgen voor de huisartsenzorg. Door de ziekte zelf, maar ook door de maatregelen die zijn genomen. We kijken in dit onderzoek naar de invloed die deze veranderingen hebben gehad op veel voorkomende infectieziekten in de huisartsenpraktijk. Dit zijn bijvoorbeeld luchtweginfecties, urineweginfecties en huidinfecties. We brengen in kaart hoe vaak patiënten met infecties naar de huisarts kwamen tijdens de pandemie vergeleken met het jaar ervoor. We analyseren ook verschillen in manieren van contact, antibioticagebruik, complicaties en verwijzing.
Bij vragen over het onderzoek kan contact worden opgenomen met Infectieziekten HAG van het Julius Centrum:
Alma van de Pol & Alike van der Velden 

Complicaties van COVID-19 bij poliklinische patiënten uitklapper, klik om te openen

Tijdens de piek van de COVID-19 (‘corona’) pandemie in Nederland in maart 2020 werd al snel duidelijk dat bij patiënten op de intensive care vaak ernstige complicaties zoals hart- en vaatziekten (waaronder trombose, beroerte, hartinfarct en boezemfibrilleren) voorkwamen. Deze complicaties dragen bij aan het hoge sterftecijfer van COVID-19 onder intensive care patiënten. Het is op dit moment onbekend of patiënten die na een ziekenhuisopname voor COVID-19 naar huis zijn ontslagen of helemaal nooit opgenomen zijn geweest, hetzelfde risico lopen op ernstige complicaties van COVID-19.
Doel en methoden: Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van het aantal complicaties (hart- en vaatziekten, ziekenhuis (her)opname en sterfte) en de risicofactoren hiervoor bij patiënten die zijn ontslagen uit het ziekenhuis na een opname voor COVID-19 en bij patiënten die thuis COVID-19 hebben doorgemaakt. Dit onderzoek wordt uitgevoerd middels database onderzoek van huisartsen- en van ziekenhuisgegevens uit COVID-19 registraties.
Looptijd project: 6 maanden
Bij vragen over het onderzoek kan contact worden opgenomen met Geert-Jan Geersing.

Therapeutische vertraging bij de behandeling van hypercholesterolemie uitklapper, klik om te openen

Een te hoog cholesterolgehalte is een belangrijke risicofactor voor hart- en vaatziekte. Voor patiënten met een verhoogd risico op hart- en vaatziekte is het van belang het cholesterol te verlagen door een gezonde leefstijl en/of medicatie. De huisarts speelt hierin een belangrijke rol. Uit onderzoek blijkt dat het bij veel patiënten niet lukt om het cholesterol voldoende te verlagen. Eén van de redenen hiervoor kan zijn dat de huisarts medicatie niet aanpast als dit nodig is (medicatie wordt niet gestart, niet opgehoogd of niet vervangen door een sterker middel). Het doel van dit onderzoek is om te achterhalen waarmee dit gebrek aan medicatieaanpassingen samenhangt. Kenmerken die we onderzoeken zijn onder andere leeftijd en geslacht van de patiënt, rookstatus, overgewicht, medische voorgeschiedenis, aantal cholesterolpillen en deelname in een ketenzorgprogramma voor hart- en vaatziekte of diabetes. Met de resultaten van dit onderzoek kunnen we de zorg voor patiënten met een te hoog cholesterol gericht verbeteren. 
Voor dit onderzoek maken we gebruik van JHN-data van de deelnemende Utrechtse huisartsenpraktijken die data hebben aangeleverd tussen December 2017 en Augustus 2019. De analyses en rapportage van het onderzoek vinden plaats in 2020. 
Bij vragen over het onderzoek kan contact worden opgenomen met Monika Hollander.

De impact van een geïnformeerde toestemmingsprocedure binnen een niet-invasieve studie voor kwetsbare ouderen in onze samenleving uitklapper, klik om te openen

Achtergrond: Met de snel vergrijzende bevolking wordt steeds meer beroep gedaan op de klinische zorg. Literatuur geeft aan dat ouderen routinematig worden uitgesloten van klinische onderzoeken, wat betekent dat onderzoekspopulaties niet altijd representatief zijn voor de beoogde doelgroep. Een mogelijke barrière voor deelname is een toestemmingsprocedure.
Interventie: Een proactief zorgprogramma om het dagelijks functioneren van ouderen te behouden, werd geëvalueerd in een grote studie (N = 3092). Hierbij werden significante resultaten gevonden maar bleef de klinische relevantie onduidelijk. De onderzoekers suggereerden dat relatief veel “jonge”, gezonde en hoogopgeleide ouderen deelnamen, en dat juist de kwetsbare groep ouderen niet geïncludeerd was. De gemiddelde leeftijd was 74 jaar en 60% van de ouderen had bij aanvang van het onderzoek geen beperking in het dagelijks functioneren en 40% van alle gevraagde ouderen gaven toestemming. Een recent uitgevoerd onderzoek naar het inmiddels geïmplementeerde ouderenzorgprogramma liet zien dat de deelnemers gemiddeld zes jaar ouder waren (gemiddelde leeftijd van 80 jaar) dan de deelnemers aan de trial.
Methode: Doelstelling van dit onderzoek is om de programma resultaten van destijds (de trial met alleen patiënten die toestemming gaven) te vergelijken met de huisartspraktijken (die meededen als ook niet meededen met het programma) waarbij alle ouderen meedoen. Er wordt specifiek gekeken naar zorgconsumptie uitkomsten zoals ziekenhuisopnamen, huisarts en spoedeisende hulp visites, en mortaliteit (aspecten die standaard worden verzameld binnen het Julius Huisartsen Netwerk data).
Verwacht wordt dat op huisartsenpraktijkniveau verschillen te zien zijn in zorgconsumptie tussen de deelnemende trial praktijken en de niet deelnemende praktijken. Het project loopt van mei 2020 tot en met sept 2020.
Hoofdaanvrager is dr. Nienke Bleijenberg, onderzoeker en contact persoon is drs. Linda Smit.

De weg naar primaire preventie van dementie uitklapper, klik om te openen

Het hele traject van risicofactor tot aan dementie wordt onderzocht binnen het Netherlands Consortium of Dementia Cohorts (NCDC). Er zijn veel oorzaken voor het ontstaan van Alzheimer. Zowel aanleg- als omgevingsfactoren zorgen voor het ontsporen van processen in de hersenen, totdat er uiteindelijk sprake is van dementie. Een proces die meestal 20 tot 30 jaar duurt. Maar ook al voor die tijd spelen risicofactoren een rol, zoals hoge bloeddruk of ongezonde voeding. Het doel van dit onderzoek is dan ook om aangrijpingspunten te vinden voor het voorkómen van dementie. Er zijn daarbij twee punten waar we ons specifiek op richten: de neerslag van het alzheimer-eiwit amyloid en de schade aan bloedvaten in de hersenen. Bij dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van gegevens uit een bestaand onderzoek, SMART, waarin een grote groep gezonde mensen gedurende langere tijd wordt gevolgd, om zo risicofactoren voor ziekte te ontdekken. Van deze deelnemers vragen wij gegevens op bij de huisarts, bijvoorbeeld over de diagnose dementia en verschillende risicofactoren. Daarmee kunnen we onderzoeken wat risicofactoren zijn voor dementie en hoeveel elk risicofactor bijdraagt aan het ontstaan van dementie. Dit vertalen we in praktische adviezen voor patiënten en mantelzorgers.
Bij vragen kunt u contact opnemen met SMART-MR hoofdonderzoeker Dr. Mirjam Geerlings.

Behandeling van aderontsteking (tromboflebitis) gebaseerd op individuele risicoprofielen uitklapper, klik om te openen

Achtergrond: Tromboflebitis is een ontsteking van een oppervlakkige ader veroorzaakt door een klein stolsel in deze ader. Dit is te herkennen aan een gezwollen en pijnlijke rode streng, meestal op het been. De aandoening valt onder dezelfde groep diagnoses waar trombose ook onder valt. Meestal is een tromboflebitis goedaardig en gaat deze vanzelf over. Hier is dan geen behandeling voor nodig. Bij sommige patiënten kan er ten gevolge van de oppervlakkige aderontsteking een diepe trombose van het been optreden of zelfs een longembolie (een stolsel in de bloedvaten van de long). Andere patiënten kunnen langdurige pijnklachten ervaren of last hebben van terugkerende aderontstekingen. Het is belangrijk om deze groepen patiënten snel te behandelen. Op dit moment zijn de richtlijnen van de huisarts niet duidelijk in wie er wel of wie er niet behandeld moet worden voor tromboflebitis.
Doel: Het doel van deze studie is om te voorspellen welke patiënten met een aderontsteking kans hebben op:
- een diepe trombose van het been of een longembolie;
- op langdurige klachten;
- op terugkerende aderontstekingen.
Methoden: Voor dit onderzoek worden gegevens verzameld van patiënten uit de gehele JHN database die ooit een tromboflebitis hebben doorgemaakt. Door het onderzoeken van risicofactoren wordt er een model gemaakt, , wat de huisarts kan gebruiken om het risicoprofiel te bepalen van een patiënt met een aderontsteking. Met dit risicoprofiel kan de huisarts een afweging maken of het nodig is om te starten met een behandeling of dat het beter is om af te wachten tot de aderontsteking vanzelf over gaat.
Looptijd project: vanaf juli 2020, einddatum nog onbekend
Contactgegevens: Dr. G.J. Geersing en/of  F.S. van Royen 

SUCCESS studie: geïndiceerde preventie bij vrouwelijke rokers uitklapper, klik om te openen

Roken is oorzaak nummer 1 voor het ontstaan van kanker. Ieder jaar gaan zo’n 480.000 vrouwen van 30-60 jaar naar de huisarts voor een uitstrijkje, voor de vroege opsporing van baarmoederhalskanker. In deze leeftijdsgroep is ongeveer 20% roker. Minder dan een derde van de rokers krijgt stopadvies of stophulp van de huisarts, zeker als ze nog geen ziekten of klachten hebben door roken. Het bezoek voor het uitstrijkje kan bij deze vrouwen gebruikt worden om de rookstatus vast te leggen en de stopadvies op maat te geven door de relatie te leggen tussen stoppen met roken en het verlagen van de kans op kanker. Zo’n advies op maat blijkt effectiever dan algemeen advies. Ook kan er direct stopondersteuning via de praktijk worden aangeboden. 
Aanpak en uitkomsten onderzoek: In dit onderzoek kijken we naar het effect van kort stoppen-met-roken advies, dat na het uitstrijkje door de doktersassistente wordt geven. Er wordt gekeken of meer rokende vrouwen een stoppoging doen na zo’n advies, ten opzichte van vrouwen die dit advies niet krijgen. De doktersassistente wordt getraind om stopadvies te geven, ervaring vooraf is niet nodig. De aanpak wordt onder de rokende vrouwen en doktersassistenten geëvalueerd. De resultaten van dit onderzoeksproject kunnen bijdragen aan het verbeteren van geïndiceerde preventie in de huisartsenpraktijk. Stoppen met roken heeft een belangrijk preventief effect op de gezondheid van vrouwen tussen de 30 en 60 jaar. 
Deelnemers en looptijd: Aan het onderzoek werken huisartsenpraktijken mee. De deelnemers zijn vrouwen die de huisartsenpraktijk bezoeken voor het uitstrijkje. Via het JHN zoeken wij 25 enthousiaste huisartsenpraktijken die willen meewerken aan de SUCCESS studie. De studie loopt tot maart 2021.  
Heeft u vragen of wilt u meer informatie over de SUCCESS studie? Neem dan contact op met het onderzoeksteam via Marthe Mansour, aioto (success.studie@amc.uva.nl). Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de Huisartsgeneeskunde van het Amsterdam UMC – locatie AMC, in samenwerking met de Public Health & Eerstelijnsgeneeskunde van het LUMC.

GABHS Infecties uitklapper, klik om te openen

De Groep A Streptokok (GAS) is een bacterie die verschillende infecties kan veroorzaken zoals keelontsteking, roodvonk en kraamvrouwenkoorts. Sinds 2014 is er in Engeland en Wales een toename van roodvonk en invasieve GAS infecties waargenomen. Het is onduidelijk of een dergelijke toename ook in Nederland heeft plaatsgevonden. Daarnaast is de oorzaak van deze toename nog onvoldoende opgehelderd. Een mogelijke verklaring zou de introductie van pneumokokkenvaccinatie kunnen zijn waarbij er een shift in mogelijke verwekkers van luchtweginfecties in de neuskeelholte optreedt. Door gebruik te maken van geanonimiseerde gegevens van alle patiënten die tussen 2004 en 2020 bij één van de JHN praktijken waren ingeschreven, willen we onderzoeken hoe vaak GAS-gerelateerde infecties over deze jaren optraden in de huisartsenpraktijk, of er sprake is van een trend in de tijd, en wat de mogelijke impact van pneumokkenvaccinatie is op het optreden van deze infecties.
De studie is gestart in maart 2020 en zal naar verwachting tot mei 2021 duren. 
Voor eventuele vragen kunt u contact opnemen met de hoofdaanvrager van de studie, dr. R.P. Venekamp.

Voorspellen van het bloedingsrisico in patiënten met kanker die antistolling gebruiken uitklapper, klik om te openen

Patiënten met kanker hebben een verhoogd risico op het krijgen van een bloeding. Daarnaast hebben patiënten met kanker ook regelmatig antistolling nodig, wat het risico op een bloeding verder verhoogt. Om in te kunnen schatten hoe hoog het risico op een bloeding is, kunnen artsen gebruik maken van voorspelmodellen. Er zijn al verschillende van deze voorspelmodellen ontwikkeld die bedoeld zijn om het risico op een bloeding in te schatten bij patiënten die antistolling gebruiken vanwege boezemfibrilleren of trombose. Echter is het nog niet bewezen dat deze modellen het risico op een bloeding ook goed voorspellen bij patiënten met kanker. Het doel van dit onderzoek is daarom om te onderzoeken of deze bestaande voorspelmodellen het risico op een bloeding goed kunnen voorspellen bij patiënten die kanker hebben en antistolling gebruiken. Voor dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van de data van het Julius Huisartsen Netwerk.
Voor vragen over dit project kan er contact worden opgenomen met Emmy Trinks / Geert-Jan Geersing.

UTI resistentie; De ontwikkeling van antibioticaresistentie bij de behandeling van urineweginfecties in de Nederlandse huisartsenpraktijk uitklapper, klik om te openen

In deze studie wordt gekeken wat de relatie is tussen de antibiotische behandeling voor urineweginfecties en de ontwikkeling van resistentie in de huisartsenpraktijk.
Dit wordt gedaan door patiënten te evalueren die behandeld zijn voor deze indicatie in regio Utrecht. De data hiervoor staat al opgeslagen in het Julius Huisartsen Netwerk. Data wordt aangevuld door kweekuitslagen uit het huisartsenlaboratorium Saltro. Het koppelen van de voorschrijfdata en kweekdata met antibiogram (bepaling voor gevoeligheid van een bacterie t.o.v. verschillende antibiotica) helpt om inzicht te krijgen in de relatie tussen antibiotica gebruik en bacteriële resistentie in de eerste lijn.   De resultaten kunnen relevant zijn voor de ontwikkeling van richtlijnen voor huisartsen.
Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Thijs ten Doesschate.

Bedankt voor uw reactie!

Heeft deze informatie u geholpen?

Graag horen we van u waarom niet, zodat we onze website kunnen verbeteren.

juliuscentrum.umcutrecht.nl maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van cookies Deze website toont video’s van o.a. YouTube. Dergelijke partijen plaatsen cookies (third party cookies). Als u deze cookies niet wilt kunt u dat hier aangeven. Wij plaatsen zelf ook cookies om onze site te verbeteren. Deze gegevens worden niet aan derden verstrekt.

Lees meer over het cookiebeleid

Akkoord Nee, liever niet